
doi: 10.1007/bf01999845
The infectious yellows disease of glasshouse lettuce, endive and cucumber is further described and now also reported from ornamental pumpkin and the weedEpilobium sp. growing in an infested glasshouse, and from chicory witloof grown in the open near that glasshouse. In the Netherlands it was of major importance in cucumber and lettuce from 1978 to 1980, but has rapidly declined since then because of intensive whitefly control and better overall hygiene. The pathogen could neither be transmitted mechanically nor with aphids and via seed of infected lettuce plants, and no virus particles could be detected neither in crude sap with the electron microscope nor in any other way. However, infectivity could easily be demonstrated in transmission tests with the greenhouse whitefly,Trialeurodes vaporariorum. Attempts to transmit the pathogen inLapsana communis withAleurodes proletella failed. The pathogen could also be transmitted by grafting inNicotiana glutinosa. In addition to the 6 species that were found naturally infected, 15 other species (belonging to 7 families) out of 27 tested were susceptible. All of these but 2 reacted with characteristic symptoms. The pathogen is similar to if not identical with beet pseudo-yellows ‘virus’ first described in California and later also reported in France, Italy and Tasmania. It may be of much wider distribution and of considerable yet incompletely assessed economic importance. Its nature remains obscure. De vergelingsziekte van in kassen geteelde sla, andijvie en komkommer wordt verder beschreven en nu ook gerapporteerd van sierkalebas geteeld in, en van witlof geteeld naast een kas met aangetaste gewassen. Ook werd de ziekteverwekker aangetoond in roodbladige planten van eenEpilobium-soort groeiende in een kas waarin de ziekte voorkwam. In Nederland is het een (potentieel) schadelijke ziekte in komkommer en sla, maar de mate van voorkomen neemt al weer sterk af door intensievere wittevliegbestrijding en betere algehele hygiene. De ziekte is vooral gekenmerkt door tussennervige vergelingsverschijnselen, die aan een gebreksziekte doen denken en meestal in de oudere bladeren van aangetaste planten voorkomen en door een lichte bladkrulling, vooral bij komkommer, en stugheid van het blad. De planten blijven kleiner (vooral bij andijvie) en zijn niet verkoopbaar door verlies van te veel buitenblad (zoals bij sla) of produceren veel minder vruchten (zoals bij komkommer). De symptomen in kassla zijn niet te onderscheiden van die van het door bladluizen in vollegrondssla verspreide slavergelingsvirus (‘beet western yellows virus’) en van magnesiumgebrek. De verwekker van de onderhavige vergelingsziekte kon niet met sap, noch met bladluizen of via zaad van zieke sla worden overgebracht. Besmettelijkheid van de ziekte kon echter gemakkelijk worden aangetoond in overbrengingsproeven met de kaswittevlieg,Trialeurodes vaporariorum. In sla enNicotiana clevelandii kunnen de eerste symptomen reeds 10 dagen na inoculatie worden waargenomen. InN. glutinosa kon de ziekteverwekker worden overgebracht door enting. De afwijking kon niet worden gekarakteriseerd als een insektentoxemie. Met genoemde vector werden 27 soorten kasgewassen en onkruiden getoetst op vatbaarheid. Behalve de 5 reeds genoemde natuurlijk geinfecteerde gewassoorten en een onkruidsoort bleken 15 andere soorten, behorend tot 7 families, vatbaar. Alle behalve knolselderij en paardebloem reageerden met karakteristieke symptomen.N. clevelandii werd meestal gebruikt als indicatorplant voor het opsporen van infectie door terugtoetsing met wittevlieg. InN. glutinosa ontstond een grove goudgele bontheid. Het lukte niet om bijLapsana communis de ziekte over te brengen met de koolwittevliegAleurodes proletella. In ruw sap en in ultradunne coupes van zieke planten konden geen virusdeeltjes worden waargenomen, noch konden deze worden afgezonderd uit sap van zieke planten met methoden die succesvol waren voor door bladluizen overgebrachte vergelingsvirussen. De virusaard der verwekker is dan ook nog niet bewezen. De ziekteverwekker lijkt sterk op, of is identiek aan het reeds in 1965 in Californie uit kasplanten en van enkele buiten groeiende onkruiden beschreven ‘beet pseudoyellows virus’. Het werd daarom in 1980 door ons het pseudo-slavergelingsvirus genoemd. Hoogstwaarschijnlijk dezelfde verwekker werd in 1980 ook in Frankrijk gerapporteerd in kassla, in 1982 in Italie in sla en in 1981 in Hobart, Tasmanie, in buiten voorkomende paardebloem. De komkommervergelingsziekte in Japan en de meloenevergelingsziekte in Frankrijk, beide eveneens door de kaswittevlieg overgebracht, lijken te worden veroorzaakt door een ander, draadvormig virus dat in zijn aantastingsvermogen beperkt is tot cucurbitaceeen. In Californie en Arizona brak onlangs een ernstige epidemie uit in sla en suikerbiet van een waarschijnlijk weer andere infectieuze slavergeling die wordt verspreid doorBemisia tabaci. Al deze vergelingsziekten kunnen gemakkelijk over het hoofd worden gezien of worden aangezien voor een gebreksziekte of zuiver fysiologische afwijking. Ze komen waarschijnlijk veel meer voor dan wordt vermoed.
| selected citations These citations are derived from selected sources. This is an alternative to the "Influence" indicator, which also reflects the overall/total impact of an article in the research community at large, based on the underlying citation network (diachronically). | 9 | |
| popularity This indicator reflects the "current" impact/attention (the "hype") of an article in the research community at large, based on the underlying citation network. | Average | |
| influence This indicator reflects the overall/total impact of an article in the research community at large, based on the underlying citation network (diachronically). | Top 10% | |
| impulse This indicator reflects the initial momentum of an article directly after its publication, based on the underlying citation network. | Average |
